Overuren berekenen: hoeveel is uw achterstallig loon waard?
De Nederlandse rekenmethode: (gewerkte uren − betaalde uren) × contractueel uurloon = achterstallig loon, tegen 100%. Daarbovenop 8% vakantiebijslag, de wettelijke verhoging (BW 7:625) en de wettelijke rente. Met rekenvoorbeeld.
De basisformule
De kern is eenvoudig. Er is in Nederland geen wettelijke overwerktoeslag, dus u rekent níét met een «+50%». U rekent met de werkelijkheid:
(werkelijk gewerkte uren − betaalde uren) × contractueel uurloon = achterstallig loon (basis 100%)
Dit is de zekere, altijd berekenbare kern. Ze berust op de arbeidsovereenkomst (artikel 7:610 en 7:616 BW): loon is de tegenprestatie voor de arbeid, en die moet worden betaald. Heeft uw cao een hoger uurtarief dan uw contract op die periode, dan gebruikt u dat geverifieerde tarief.
De posten die u optelt
Op die basis van 100% bouwen vier posten voort:
- Vakantiebijslag 8% (artikel 15 WML). Sinds 1 januari 2018 telt overwerk mee in de grondslag. Een nabetaling van overuren levert dus mechanisch 8% extra vakantiebijslag op.
- De wettelijke verhoging (artikel 7:625 BW). Wordt het loon niet uiterlijk op de derde werkdag na opeisbaarheid betaald, dan loopt de verhoging op: 5% per werkdag van de vierde tot en met de achtste werkdag (samen 25% op de achtste), daarna 1% per werkdag, met een maximum van 50%. Dat plafond wordt bereikt op de 33e werkdag vertraging. De rechter kan de verhoging matigen (artikel 7:625 laat dit toe); in de praktijk varieert het van 10% tot 50%, afhankelijk van de omstandigheden.
- De wettelijke rente (artikel 6:119 BW), voor niet-handelstransacties. Het tarief wijzigt per halfjaar: 2% tot eind 2022, 4% (eerste helft 2023), 6% (tweede helft 2023), 7% (2024), 6% (2025) en 4% sinds 1 januari 2026. De rente loopt per loontermijn vanaf de dag van opeisbaarheid.
- De WML-controle (artikel 13a WML): het totaal betaalde loon gedeeld door de werkelijk gewerkte uren moet ten minste gelijk zijn aan het minimumuurloon (€ 14,71 per 1 januari 2026). Zakt u eronder, dan is er een aanvulling tot de bodem.
Een rekenvoorbeeld
Neem een werknemer met een contractueel uurloon van € 19,00 en een contract van 40 uur per week, die in werkelijkheid 46 uur werkt — dus 6 onbetaalde overuren per week. Per maand komt dat neer op ongeveer 26 onbetaalde uren (6 × 4,33 weken).
- Basis 100%: 26 × € 19,00 = € 494,00 per maand
- Vakantiebijslag 8%: € 494,00 × 0,08 = € 39,52 per maand
- Subtotaal: € 533,52 per maand
Over twaalf maanden gaat het al om ongeveer € 6.402 aan basis plus vakantiebijslag. Daarbovenop komt de wettelijke verhoging: als eis in beginsel het maximum van 50% over het achterstallige loon (hier maximaal circa € 2.964 over de basis van € 5.928), met de eerlijke vermelding dat de rechter kan matigen. En ten slotte de wettelijke rente per vervallen maandtermijn, tegen het geldende halfjaarstarief.
De WML-controle in de praktijk
De WML-controle vangt een specifiek geval op: de werknemer met een «vast» loon dat door veel overuren wordt uitgehold. In ons voorbeeld verdient de werknemer voor 40 betaalde uren € 760 per week, terwijl hij 46 uur werkt. Het gemiddelde per gewerkt uur is dan € 760 ÷ 46 = € 16,52 — nog altijd boven het minimum van € 14,71, dus hier is er geen extra WML-aanvulling. Maar bij een lager basisloon of meer onbetaalde uren kan dit gemiddelde wél onder de bodem zakken, en dan ontstaat een aanvullende vordering tot het minimumuurloon.
Over welke periode mag u rekenen?
De berekening loopt niet onbeperkt terug. Loonvorderingen verjaren na vijf jaar per loontermijn (artikel 3:308 BW). U rekent dus, per maand, vijf jaar terug vanaf vandaag (of vanaf de laatste stuiting van de verjaring). Voor elke maandtermijn geldt de eigen datum van opeisbaarheid — bij een maandloon zonder uitstelbeding is dat het einde van de gewerkte maand (artikel 7:623 BW) — plus vijf jaar. Belangrijk: het einde van uw dienstverband verkort die termijn niet; ook een ex-werknemer houdt vijf jaar per termijn. Wilt u de vensterrand vastzetten, dan kunt u de verjaring stuiten met een schriftelijke aanmaning (artikel 3:317 BW), waarna een nieuwe termijn van vijf jaar gaat lopen.
Let op: cumuleer niet blind
Twee waarschuwingen. Ten eerste: uren die al met betaalde vrije tijd (tijd-voor-tijd) zijn gecompenseerd, zijn niet nogmaals in geld verschuldigd — reconstrueer dus ook de eventueel al genoten compensatie. Ten tweede: de wettelijke verhoging is een maximumvordering, geen zekerheid. Presenteer de 50% nooit als vaststaand; het is de gebruikelijke processtandaard om het maximum te vorderen, met vermelding dat de rechter kan matigen (artikel 7:625 BW). Zo blijft uw berekening juist én verdedigbaar.
Cadre
Wettelijke basis — artikel 13a WML en artikel 7:625 BW
Artikel 13a lid 1 WML: «Indien de feitelijke arbeidsduur van de werknemer binnen een uitbetalingstermijn langer is dan de overeengekomen arbeidsduur, wordt deze langere arbeidsduur uitbetaald uiterlijk in de eerstvolgende uitbetalingstermijn.» Het gemiddelde loon per gewerkt uur mag daarbij niet onder het minimumuurloon zakken.
Artikel 7:625 lid 1 BW voorziet in een wettelijke verhoging wegens te late betaling: 5% per werkdag vanaf de vierde tot en met de achtste werkdag, daarna 1% per werkdag, «doch in geen geval de helft van het verschuldigde te boven» gaand — een maximum van 50%, dat de rechter kan matigen.
Bron: art. 13a en 15 Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag; art. 7:625, 7:610, 7:616 en 6:119 BW. Minimumuurloon: € 14,71 (01-01-2026), € 14,99 (01-07-2026). De cijfers in het voorbeeld zijn illustratief.
CTA
Laat uw achterstallig loon gratis berekenen
Zelf rekenen kost tijd en zit vol valkuilen. PayeMesHeures is een auditinstrument dat uw werkelijke uren naast uw loonstroken legt en automatisch de basis van 100%, de vakantiebijslag, de wettelijke verhoging en de rente in kaart brengt — met de WML-controle ingebouwd. Beginnen is gratis. Start uw berekening en zie in enkele minuten hoeveel achterstallig loon er mogelijk voor u openstaat.
